O

Meer dan 90% van de patiënten verwacht na een voorste kruisband reconstructie (VKBR) succesvol te kunnen terugkeren naar het preoperatieve niveau van sport [1]. Helaas lukt maar 65% van de patiënten het om dit doel te verwezenlijken [2]. Ook krijgt 6-20% van de patiënten een nieuwe VKB blessure [3]. Hebben deze patiënten wel intensief en frequent genoeg getraind om terug te kunnen keren naar de sport? Met andere woorden: is de trainingsbelasting binnen de revalidatie hoog genoeg? 

Trainingsbelasting is onder te verdelen in twee componenten: de externe trainingsbelasting en de interne trainingsbelasting [4]. De externe trainingsbelasting is de externe stimulus voor de patiënt, die objectief meetbaar is. Voorbeelden hiervan zijn de totale loopafstand, het aantal sprints of de gewichtsverplaatsing tijdens krachttraining. De interne trainingsbelasting is de individuele ervaren reactie op trainingsbelasting, in combinatie met stressfactoren in het dagelijkst leven. Exact dezelfde externe trainingsbelasting kan een aanzienlijk verschil in interne trainingsbelasting opleveren bij verschillende patiënten [5]. Een simpele vraag als: “Hoe zwaar vond je de training vandaag? (score 1-10)”, kan al veel nuttige informatie opleveren. Hieruit kan de “session Rating of Perceived Exertion (sRPE)” worden berekend, door de score te vermenigvuldigen met de trainingsduur in minuten. De sRPE is een veelgebruikte en betrouwbare manier om de interne trainingsbelasting te bepalen.Een andere veelgebruikte variabele voor het bepalen van de interne trainingsbelasting is de hartfrequentie. Dit wordt bijvoorbeeld in teamsporten veelal toegepast. 

Veel gebruikte termen binnen het monitoren van de trainingsbelasting zijn acute trainingsbelasting en chronische trainingsbelasting. Acute trainingsbelasting staat voor de trainingsbelasting die een patiënt deze week heeft ondergaan en de chronische trainingsbelasting staat voor de gemiddelde trainingsbelasting van de afgelopen vier weken [5]. Onderzoek van Tim Gabbett en collega’s [5, 6] laat zien dat de ratio tussen de acute- en chronische trainingsbelasting niet te groot mag zijn, omdat een te grote ratio kan zorgen voor een vergrote kans op blessures (de zogenaamde acute/chronische ratio). Daarom wordt geadviseerd altijd binnen de veilige zone te blijven wanneer de trainingsbelasting wordt verhoogd, de zogenaamde “Sweet Spot”, waarbij de trainingsbelasting niet té snel wordt opgevoerd (Figuur 1). Een simpel voorbeeld: wanneer een VKBR patiënt in de laatste vier weken gemiddeld twee keer in de week anderhalf uur heeft getraind (=chronische load), deze week vijf keer in de week anderhalf uur trainen zal gaan (=acute load), leidt dit tot een vergrote kans op blessures. Veiliger is het om de trainingsbelasting geleidelijk op te voeren.

Figuur 1. Grafiek uit [5] waarin de acute/chronische ratio visueel wordt weergegeven. Probeer altijd in de “Sweet Spot” te zitten qua trainingsbelasting en niet in de “Danger Zone”.
Figuur 2. Voorbeeld van de acute/chronische ratio, waarbij er een te snelle stijging van de ratio heeft plaatsgevonden na een blessure, wat weer een nieuwe blessure oplevert. 

Meten van trainingsbelasting

Wanneer het verschil in trainingsbelasting tussen de VKBR revalidatie en de teamtrainingen te groot is, kan dit leiden tot problemen met het aanhaken van het fysieke niveau en mogelijk zelfs tot nieuwe blessures. Het is daarom essentieel dat de patiënt intensief en frequent traint gedurende de revalidatie, en dat de (chronische) trainingsbelasting geleidelijk wordt opgevoerd. Het monitoren van de trainingsbelasting gedurende de revalidatie kan hierbij helpen. Zoals eerder benoemt, kan dit op een vrij simpele manier door bijvoorbeeld de sRPE te berekenen na iedere training. In een recent gepubliceerd onderzoek in Sportgericht is dit gedaan binnen de VKBR revalidatie [7]. Hierin bleek dat de interne trainingsbelasting (sRPE) steeg gedurende de eerste vier fasen van de revalidatie, maar daalde in de laatste twee fasen van de revalidatie (Figuur 3). Deze resultaten zijn zorgwekkend, omdat juist in de laatste fasen van de revalidatie, de terugkeer naar de sport steeds dichterbij komt waarbij een stijging van de trainingsbelasting noodzakelijk lijkt. Immers, we weten dat de trainingsbelasting in de teamtrainingen hoger ligt dan in de revalidatie [6]. Idealiter zou de trainingsbelasting in de laatste fasen stijgen als voorbereiding op een terugkeer naar de sport.

Figuur 3. Grafiek uit [7] waarin de stijging van de interne trainingsbelasting in de eerste vier fasen van de revalidatie is te zien, maar een daling in de laatste twee fasen. 

Om als fysiotherapeut of fysiek trainer te beginnen met het meten van de interne trainingsbelasting binnen de revalidatie, is het interessant om een vergelijking te maken tussen de verwachte interne trainingsbelasting van de fysiotherapeut/fysiek trainer voorafgaand aan de training (de zogenaamde session rating of intended exertion), met de ervaren interne trainingsintensiteit door de patiënt (sRPE) [8]. Dit geeft direct inzicht of de verwachte intensiteit van de training die je hebt als fysiotherapeut of fysiek trainer, overeenkomt met de ervaringen van de patiënt. Mogelijk bestaat hier een verschil tussen wat kan zorgen voor onderbelasting (patiënt kan meer aan dan dat fysiotherapeut/fysiek trainer voor ogen heeft) of overbelasting (patiënt ervaart de training zwaarder dan dat de fysiotherapeut/fysiek trainer voor ogen heeft). Hierdoor kan de training geoptimaliseerd worden. 

Conclusie

Een mogelijke reden van het relatief lage percentage patiënten dat terug keert naar het pre-operatieve niveau van sporten, kan te maken hebben met een te lage (chronische) trainingsbelasting gedurende de revalidatie. Met andere woorden: hebben patiënten intensief en frequent genoeg getraind om terug te kunnen keren naar de sport? Het monitoren de interne trainingsbelasting kan op een simpele manier en geeft inzicht in de individuele respons van de patiënt op de training. 

Referenties

[1] Feucht MJ, Cotic M, Saier T, Minzlaff P, Plath JE, Imhoff AB, et al. (2016). Patient expectations of primary and revision anterior cruciate ligament reconstruction. Knee Surg Sports Traumatol Arthrosc. 24:201-207.

[2] Ardern CL, Webster KE, Taylor NF, Feller JA. (2011). Return to sport following anterior cruciate ligament surgery: a systematic review and meta-analysis of the state of play. Br J Sports Med. 45(7):596-606.

[3] Brophy RH, Schmitz L, Wright RW et al. (2012). Return to play and future ACL injury risk after ACL reconstruction in soccer athletes from the Multicenter Orthopaedic Outcomes Network (MOON) group. Am J Sports Med. 40:2517–2522.

[4] Soligard T et al. (2016). How much is too much? (Part 1) International Olympic Committee consensus statement on load in sport and risk of injury. British Journal of Sports Medicine.50:1030-1041.

[5] Gabbett TJ (2016). The training-injury prevention paradox: should athletes be training smarter and harder? British Journal of Sports Medicine. 50(5):273-280.

[6] Blanch P & Gabbett TJ (2016). Has the athlete trained enough to return to play safely? The acute:chronic workload ratio permits clinicians to quantify a player’s risk of subsequent injury. British Journal of Sports Medicine. 50:471-475.

[7] Welling W, van de Wouw R, Eppinga P (2019). Onderbelasting binnen de VKBR revalidatie. Sportgericht.

[8]Brink MS, Kersten, AW, Frencken WGP (2017). Understanding the Mismatch Between Coaches’ and Players’ Perceptions of Exertion. International Journal of Sports Physiology and Performance. 12:562-568.

Mijn naam is Wouter Welling en ik ben werkzaam als bewegingswetenschapper bij MCZ in Groningen; een praktijk die de medische begeleiding verzorgt voor alle topsport in Groningen (FC Groningen, Donar basketbal, Lycurgus volleybal). Tot mijn takenpakket behoren onder andere het ontwikkelen van objectieve testbatterijen, het afnemen van blessure preventie metingen en het monitoren van de training load. 

Na het afronden van mijn master ben ik doorgegaan met het onderzoek naar VKB blessures. Het promotieonderzoek waar wij nu aan werken richt zich op ‘Return to sport decisions’ na een voorste kruisband reconstructie. Hierbij proberen we praktische en relatief makkelijke uitvoerbare meetmethoden te combineren, die voor elke therapeut uit te voeren en die ondersteunend zijn in de ‘Return to sport decisions’.

Het mooie van de combinatie tussen mijn praktijkwerkzaamheden en de rol als onderzoeker bij de Rijksuniversiteit Groningen, is dat we op deze manier het onderzoek direct kunnen implementeren in de praktijk. Hierdoor kunnen we direct gebruik maken van de meest recente wetenschappelijke inzichten in de patiëntenzorg. Ik ga dan ook met veel plezier een maandelijkse blog bij the Knee community voor jullie schrijven!!

Volg via email
Facebook
Facebook
Twitter
LinkedIn